Share via


Omgevingsnamen

ANSI 4.10.4.4 De set omgevingsnamen en de methode voor het wijzigen van de omgevingslijst die wordt gebruikt door de getenv-functie

De set omgevingsnamen is onbeperkt.

Als u omgevingsvariabelen wilt wijzigen vanuit een C-programma, roept u de _putenv-functie aan. Als u omgevingsvariabelen wilt wijzigen vanaf de opdrachtregel in Windows, gebruikt u de opdracht SET (bijvoorbeeld SET LIB = D:\ BIBLIOTHEKEN).

Omgevingsvariabelen die zijn ingesteld vanuit een C-programma, bestaan alleen zolang de hostkopie van de opdrachtshell van het besturingssysteem wordt uitgevoerd (CMD.EXE of COMMAND.COM). Bijvoorbeeld de regel

system( SET LIB = D:\LIBS );

voert een kopie van de opdrachtshell (CMD.EXE) uit, stelt de omgevingsvariabele LIB in en keert terug naar het C-programma, waarbij de secundaire kopie van CMD.EXE wordt afgesloten. Als u deze kopie van CMD.EXE afsluit, wordt de tijdelijke omgevingsvariabele LIB verwijderd.

Wijzigingen die door de _putenv functie zijn aangebracht, duren ook pas totdat het programma eindigt.

Zie ook

Bibliotheekfuncties
_putenv, _wputenv
getenv, _wgetenv