Delen via


Fouten opsporen in een stuurprogramma

Voor foutopsporing van een kernelmodusstuurprogramma zijn twee computers vereist. Het foutopsporingsprogramma wordt uitgevoerd op de hostcomputeren de code die wordt opgespoord, wordt uitgevoerd op de doelcomputer. De doelcomputer wordt ook wel de testcomputergenoemd. U kunt fouten opsporen in een stuurprogramma in de gebruikersmodus op de hostcomputer of op een afzonderlijke doelcomputer. Voordat u fouten kunt opsporen in een stuurprogramma dat op een doelcomputer wordt uitgevoerd, moet u de doelcomputer configureren voor foutopsporing.

Zie Aan de slag met Windows-foutopsporingvoor algemene informatie over foutopsporingsstuurprogramma's.

Zie voor informatie over het automatisch configureren van een doelcomputer en het instellen van een foutopsporingskabel met behulp van een netwerkverbinding, zie.

Zie ook

Windows-foutopsporing.